#30 Ondertussen – gaat er een heel ander verhaal schuil achter ‘hebben’ en ‘zijn’

Verhalen vertellen vinden we leuk. Daarnaast vinden we het een onmisbare competentie van een smart connector. Heel graag willen we op een verhalende manier delen wat we beleven. Omdat dit mensen met elkaar verbindt. In Ondertussen…. vertelt iemand binnen de opleiding Communicatie iets wat hem of haar heeft geïnspireerd, heeft geraakt of is opgevallen. 

Door docente Tineke de Waal 

Ik haal mijn tas van de stoel naast me. Daar gaat een vriendelijk glimlachende vrouw zitten. Aan haar kleding zie ik dat ze niet van hier is. Ze heeft een blaadje in haar hand. Met plaatjes, als van een lagere school. ‘Vakantie’ is het thema. Ze heeft hard gewerkt. Ze zijn lang weggebleven. We hebben een van de koffers vergeten. De vervoegingen van de woorden ‘hebben’ en ‘zijn’ staan met potlood in hoofdletters ingevuld op een stippellijntje. ‘Zijn’ of ‘hebben’, hoe leert ze dat?

Boem, boem, boem
Ik vraag haar: “Moeilijk?” Ze kijkt lachend en knikt driftig. Ja moeilijk moeilijk. “Zes maanden schol, nu, leren.” “Hoe leggen ze dat uit, het verschil tussen ‘hebben’ en ‘zijn’?“ Ik ben beroepsmatig geïnteresseerd, of misschien gedeformeerd. Ze begrijpt me niet: “Nederlands. Moeilijk moeilijk moeilijk.” Zo kan het ook, denk ik. Gewoon een aantal keren zeggen wat je bedoelt, om het te benadrukken. Moeilijk moeilijk moeilijk. Ik maak uit haar verhaal op dat ze uit Syrië komt. Hoe lang ze in Rotterdam is? “Nu 8 maand. Daarvoor Syrië. Boem, boem, boem.” Ze vertrekt haar gezicht in een pijnlijke grijns en grijpt naar haar in een felroze doek gewonden hoofd. “Nu rustiger.” Ze klopt op haar hoofd. “Nederland is goed, maar familie. Ouders, broers en zussen.” Ze staart voor zich uit. Die ‘zijn’ hier niet. Ik: “Het is goed dat je Nederlands leert zodat je nieuwe vriendschappen kunt sluiten en daar de warmte en vriendschap kan vinden die je familie nu niet kan bieden.” Vergeefse moeite. Te moeilijk moeilijk moeilijk.

Het verschil
“Jij ook R’dam?”, vraagt zij. Ik leg uit dat ik hier niet woon maar werk. Ze kijkt me aan: “Nederlanders. Werken werken werken. Vakantie. Werken werken werken.” Ze gooit haar handen lachend en vragend omhoog. Ze slaat de spijker op mijn kop. Ik breng ertegen in dat werken ook leuk kan zijn, maar beiden voelen we dat er iets niet helemaal klopt. Ze heeft gelijk. Zij zit met vier zoons en een meisje in een flatje in Rotterdam, ze neemt om half negen de metro om ergens Nederlands te leren. De bommen echoën nog na in haar hoofd. En ze leert nu het verschil tussen ‘hebben’ en ‘zijn’. Ik zou het wel heerlijk zou vinden deze vrouw een beetje verder te helpen, met bijles of conversatie, maar ik heb geen tijd. Ik moet werken. Het leven is duur. De hypotheek wacht niet. Studerende kinderen, een boot, het huis moet geverfd. Ik ga zo communicatiestudenten het verschil uitleggen tussen ‘hebben’ en ‘zijn’. De grammatica. Beter ging het over het ‘hebben’ van ons en het ‘zijn’ van haar.

Als ik bij Beurs uitstap, zwaait ze lief.

 

 

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Plaats een reactie